dinsdag 8 januari 2008
Vrij
Hij was op een klein eiland. Om hem heen spoelde de zee op het strand en ruisde. Er was een palmboom, met een kokosnoot. Hij keek naar de lucht en daar meende hij het blauwgroen terug te zien van zijn keuze. De hemel verliep in een rijke kleurenschakering vanaf donkerrood naar het donkerblauw van de nacht. Achter hem zag hij de eerste sterren verschijnen en de maan. Hij zette zichzelf tegen de boom, de zon streelde zijn gezicht. Hij keek naar de zon die onderging en genoot.
Achter hem verscheen een dunne maanschijf. Het licht van de sterren golfde op de zee. Hij begon de sterren te tellen, het leken er oneindig veel, en viel ergens halverwege in slaap.
Stijf werd hij wakker. De zon scheen op zijn achterhoofd en verwarmde hem. Hij had honger en klom daarom in de boom, sloeg een kokosnoot los die met een plof in het zand viel. Hij sprong omlaag, nam de noot in zijn hand en sloeg deze stuk tegen de stam van de boom. Hij at het vruchtvlees en dronk de melk. Daarna waste hij zijn handen en gezicht in het zilte water.
Hij had geen behoeften meer. Zorgeloos keek hij uit over de wijde zee. Hij dacht terug aan zijn moeder en aan alle fijne momenten uit zijn leven. Zo bracht hij de dag door, in gedachten.
Hij schrok op uit zijn gedachten toen de zon alweer aan het ondergaan was en het karretje voor hem verscheen. Hij stapte in.
Het was weer groenblauw om hem heen. Zonder merkbare overgang werd dit blauw en vervolgens donkerblauw. Hij zette het wagentje nogmaals stop.
Een inslaande bliksemschicht verblindde hem, de knal die vrijwel gelijktijdig volgde, maakte hem doof. De regen doorweekte hem. Langzaam herstelde zijn zicht. Hij zag vlekken voor zijn ogen. Langzaam gingen de vlekken over in zijn metgezel voor hem. Zijn metgezel wees naar beneden. Hij volgde de vinger en daar, door het waas van de regen heen, lag Casper, hun compagnon. Casper lag in een ongelukkige pose. Hij beweeg niet. Snel gooide hij zijn tas van zijn rug en rende omlaag. Hij voelde Caspers pols. Die gaf een zwak klopsignaal. Gelukkig, Casper leefde! Hij tikte Casper op zijn wang, maar dat hielp niet: Casper kwam niet bij bewustzijn.
Hij gebaarde naar Jeffrey en sprak, hoewel hij zijn eigen woorden niet kon horen en de regen de bewegingen van zijn mond onzichtbaar maakte. Jeffrey knikte, hij begreep het. Ze hesen Casper overeind, trokken aan zijn armen tot die over hun schouders lagen hadden en met hem in begonnen ze aan de tocht omlaag, richting de beschutting van een dennenbos. Het stroomde van de regen, de mannen dampten en gelukkig hadden ze enige warmte van elkaar. De lucht was donkerblauw en het was goed opletten om niet te struikelen over losliggende stenen. Af en toe lichtte de omgeving op, dan was er weer een flits. De donderslagen lieten langer op zich wachtten: gelukkig, het onweer trok over. Ze volgenden het pad verder omlaag naar de dennen, het water drupte van de bomen maar de ergste regen was voorbij. Even verderop vonden ze een schuur en daar besloten ze te rusten.
Zijn tas lag nog boven! Met gebaren en mondgebaren maakte hij duidelijk dat hij deze ging halen. De regen was opgehouden en het werd zowaar wat lichter, alhoewel het niet lang meer licht zou blijven. Het gevecht met de elementen was gestreden en hij voelde zich onoverwinnelijk. Hij stiet een kreet, een brul die zijn overwinning uitschreeuwde. De wind sloeg om hem heen maar het deerde hem niet. Hij was een met de elementen, nee, hij was meer dan de elementen, daarboven verheven, eraan onderhevig maar ongenaakt, wilskrachtig en sterk. Niets kon hem deren. Als een springbok sprong hij naar boven. Daar slingerde hij zijn tas op zijn rugen met enige moeite gespte hij die van Jeffrey om zijn buik. De derde liet hij liggen.
Terug in de berghut lagen waren de twee anderen tegen elkaar in slaap gevallen. Hij pakte de slaapzak van Jeffrey en drapeerde die over hen heen. Daarna rolde hij zijn matje uit, blies de lucht erin, en kroop in zijn eigen slaapzak.
Jeffrey wekte hem vroeg, de volgende morgen. "Het is niet beter." las hij van zijn lippen. Hij keek naar Casper. Bleek lag hij erbij. Jeffrey hield een spiegeltje bij zijn mond en hij zag dat deze besloeg. Hij stond op, liet zijn spullen voor wat ze waren en hees Casper omhoog. Jeffrey schoot te hulp en op dezelfde manier als de avond ervoor vertrokken ze van de hut, door het bos omlaag. De vogels floten opgewekt in de schemering maar hij hoorde het niet.
Na een lange en vermoeiende tocht bereikten ze eindelijk een dorp. Bezorgde bewoners haalden hen binnen, Jeffrey legde hen zo goed en zo kwaad uit wat er mis was, en hun gastheer belde onmiddelijk de dokter.
Nog tijdens het telefoongesprek verscheen, middenin de woonkamer, zijn wagen. Hij stapte in en was direct omringd door donkerblauw. Binnen een paar ogenblikken werd dit zwart en daarna werd hij verblind door het buitenlicht, want de deuren gingen open hij reed naar buiten.
"Zo, heftig gehad?" vroeg de bediende, die hem uit het karretje hielp.
"Ja, dat kun je wel zeggen, nogal ja." antwoordde hij. "Was ik lang weg?"
"Nee, een kwartier, zoals altijd."
"OK, het voelde anders langer."
"Verbeterde software!" grinnikte de man.
Hij lachte. "Tot morgen!" "Tot morgen."
Hij stapte op de witte band en liet zich meevoeren over de stad, over de eindeloze verzameling van witte gebouwen en er tussendoor. De band golfde erdoor en voerde hem naar het gebouw dat hij kende, richting de begane grond, maar daar rees de band al omhoog en tilde hem naar de 24e verdieping, naar zijn kubus, waar de drie monitoren al aansprongen en op het voorste scherm de inmiddels vernieuwde versie van zijn functie verscheen. Uitgerust en vol inspiratie nam hij plaats in zijn stoel, waar hij de komende 23,5 uur zou werken aan de verbetering van de centrale software, de software die de lopende banden stuurde, de stad verlichtte en die hem onderhield. In de kubussen om hem heen gebeurde hetzelfde, en ook in de gebouwen ernaast, en overal in die immer verlichte witte stad die de aarde bedekte.
EINDE
De aarde
De overgeblevene keek om zich heen. Er was niets. Hij was alleen. En hij overdacht het verleden: de oerknal, het ontstaan van de sterren en de planten uit de gaswolk, en dan de aarde, door een zeldzaam toeval de bakermat van het leven, waar replicerende moleculen zich ontwikkelden tot amoeben, amoeben tot mensen, mensen tot supermensen met alle mogelijkheden om te scheppen en te vernietigen tot het heelal op was, en tenslotte de overgang van supermensen naar zijn ras, een vrije wolk van gedachten, waarvan ieder op zijn beurt voor het oneindige koos. En terwijl hij dit in alle uitgebreidheid en gedetailleerdheid overdacht, viel het hem in om nog een laatste ding te doen.
Uit het niets schiep Hij een ronde vurige bol, en Hij liet deze afkoelen met regens, en Hij schiep de sterren en de zeeen, de planten en de dieren, en uiteindelijk: de mens, in al zijn puurheid en onschuld, om het over te kunnen doen en beter. Toen koos ook Hij voor het oneindige en verdween.
Einde.
Dagpauwoog
Dagpauwoog heette ze. Maar omdat dat zo'n lange en sjieke naam was werd ze meestal Oogje genoemd en zo zal ik haar verder ook noemen. Nu wil het geval dat Oogje niet zo gelukkig was. Binnenkort zou ze haar tweede verjaardag vieren, en ze was nog steeds niet getrouwd. Tweede verjaardag, hoor ik je denken, is dat niet wat vroeg om te trouwen? Maar ik ben je iets vergeten te vertellen: de prinses in kwestie en zo ook de andere inwoners van het land waren elfjes. Terwijl Oogje in haar torenkamertje naar buiten keek, zag ze de werksters vrolijk ronddwarrelen, het kasteel uit, op zoek naar nectarrijke bloemen om honing van te maken. Over het pad naar het kasteel toe sleepten sterke mannetjeselfjes een kar. Ja, het was een bedrijvig volkje, het gevolg van koning Edelmunt.
In de stallen molken de jongens de luizen. Luizen? Daar moet je niet van schrikken hoor, deze luizen waren niet zoals die er op jouw kunnen rondlopen. Deze luizen waren tam. En gefokt om zoveel mogelijk luizemelk te geven. En ons prinsesje, zij zat intussen in haar torenkamertje, te genieten van het zicht op de kar en haar volk. Eigenlijk zou je zeggen dat ze alle redenen had om gelukkig te zijn.
Alleen... dat was ze dus niet. En dat had verschillende redenen. Ten eerste was onze prinses nogal dik. Als prinsesje leidde ze een luizeleventje: alles werd voor haar geregeld, ze werd zo verwend dat ze haar eigen kamertje eigenlijk nooit uit hoefde te vliegen, en juist daarin school het probleem: omdat ze nooit vloog, was ze er ook niet zo goed in. De laatste keer dat ze uit ging vliegen op pad naar een mooie bloem die haar vriendin haar wilde laten zien, was ze zo snel moe geworden dat ze op de dichtstbijzijnde paardebloem was gaan zitten om uit te rusten, en pas na een uurtje voldoende moed had verzameld om terug te vliegen. Nee, dat was geen succes geweest, en wat dat betreft hoefde ze er niet zo nodig uit. Eigenlijk vloog ze alleen nog naar de eetzaal en terug.
Eerlijkgezegd schaamde ze zich hier een beetje voor. De enige troost die ze vond was in het schaaltje met lekkernijen, snoepjes van honing en zoethout en andere zoetigheden, die iedere dag gevuld werd. Alleen, die troost was maar van korte duur en aan het einde van de dag was ze weer een klein beetje dikker dan daarvoor.
Nu, inmiddels had de koning, die een verstandig man was, wel door dat haar verwennen misschien niet de beste manier was om haar zijn liefde te tonen. Hij had het beste met haar voor en omdat zij enigst kind was, had hij haar verwend. Maar nu hij merkte, dat Oogje eigenlijk niet meer naar buiten durfde, besefte hij dat er iets moest gebeuren. Alleen, hij kende zichzelf goed genoeg om te weten dat hij nooit streng genoeg zou kunnen zijn voor zijn enige, allerliefste dochter.
Daarom besprak hij het probleem op de eerstvolgende elvenraadsvergadering: "Wie weet er een geschikte trainer voor mijn dochter?". Want je moet weten dat een goede en verstandige koning juist niet alles zelf beslist, maar goed naar zijn raadsheren luistert. Atalanta, die altijd hield van chique en mooie kleren, opperde: "Ik wil wel." Atalanta had alle verstand van etiquette, dat is hoe je je netjes gedraagt en kleedt en netjes alsjeblieft en dankjewel zegt. Hij zou haar zeer zeker goed kunnen scholen in manieren. Distelvlinder reageerde fel: "Sire, een nette opvoeding is juist niet wat uw dochter nodig heeft. Wat Atalanta te vertellen heeft, weet uw dochter wel, of in ieder geval het belangrijkste. Volgens mij heeft ze behoefte aan een strenge leermeester. En ik heb een idee wie zo'n goede strengerd zou kunnen zijn, namelijk Kleine Vos."
Kleine Vos? De overige raadsleden keken elkaar vragend aan. Kleine Vos was toch die nukkige elf, die vorig jaar van het kasteel was weggevlogen omdat hem al die nette manieren maar niets bevielen? Distelvlinder zei: "Kleine Vos, ja. Hij is uitstekend geschikt omdat hij niet tegen de prinses opkijkt, en juist een hekel heeft aan alle truttigheid die haar nu omgeeft en thuishoudt." De koning dacht er twee seconden over na, en knikte toen instemmend. "Ja, dat is een goed idee. Haal Kleine Vos hier!" De andere raadslieden knikten met de koning mee.
In de melkpauze clusterden de raadsheren samen. "Kleine Vos, is hij wel geschikt?" "Hoe moeten we hem vinden?" "Maak je geen zorgen, zei Distelvlinder, dat regel ik wel." Want Distelvlinder en Kleine Vos hielden er een levendige brievenuitwisseling opna. En hij stuurde zijn bode, dit keer niet met een brief van hemzelf maar met een verzoek dat door de koning zelf ondertekend was, of Kleine Vos naar het paleis wilde komen om de prinses te trainen.
Een dag later, juist tijdens de raadsvergadering, kwam de bode teruggevlogen. Ondanks dat hij moe was, diende hij zich onmiddelijk aan bij de raadsleden. "Hij denkt er niet over!" riep hij teleurgesteld. De koning, die aan zijn dochter dacht, ontstak in woede: "Wat! Durft hij mijn bevel te trotseren!" "Laten we hem halen," riep raadsheer Atalanta. Maar raadsheer Oranjetipje, die alle regels van de wet uit zijn hoofd kende, zei: "Tja, rechtshalve heeft hij gelijk. Hij kan weigeren, want hij hoort immers niet meer bij het koninkrijk." Distelvlinder zei: "Laat mij maar met hem praten."
De volgende dag stond Distelvlinder vroeg op. Hij had een lange tocht voor de boeg en had zich de vorige avond al goed voorbereid. Zijn buidelzak was goedgevuld met boter en knabbels. Hij vloog over het weiland, genoot van de zon, rustte op een mooie bloem en flirtte kort met een lieve werkster die daar haar nectar kwam tappen. Maar hij kon niet te lang blijven zitten, want hij had nog een lange tocht voor de boeg: naar de grens met het bos. Daar was het einde aan het zonlicht, want de donkere dennennaalden hielden het licht behoorlijk tegen. Toch ontmoette hij gemoedelijke dieren. Toen hij even de weg kwijt was, vroeg hij de weg aan een Vliegend Hert, en daarna mocht hij zelfs even meeliften met een hinde die onderweg was naar het meer om te drinken. Want vlak bij dat meer, daar woonde Kleine Vos. Naast een mierenhoop, in een huis dat Kleine Vos zelf gebouwd had van dennennaalden.
Distelvlinder klopte aan. "Wie daar?" riep een zware stem, die van niemand anders dan Kleine Vos kon zijn. "Distelvlinder!" zei Distelvlinder. Onmiddelijk zwaaide de deur open, "Welkom Distel! Je vereert me met je bezoek. Sorry, ik kan je even niet omhelzen, want ik ben net een bosbes aan het delen." Inderdaad zagen zijn handen rood van het sap. "Kom binnen, en moment alsjeblieft." Kleine Vos pakte twee stukken van de bes, waste zijn handen in een eikeldop vol met water, voor hem was dat een bijhoorlijke teil, en diende de bes op.
Die avond bleven ze nog lang praten, want voor goede vrienden die elkaar een tijd niet hebben gezien, is de vriendschap belangrijker dan hoe laat het is.
De volgende ochtend, het liep eigenlijk al tegen de middag, stapte Distelvlinder naar buiten. De slaap stond hem nog in de ogen maar het was de hoogste tijd om huiswaarts te gaan, als hij nog op tijd het kasteel wilde bereiken, Na een lange knuffel, want zo groeten elfjes elkaar, vloog hij ervandoor. Dankzij een vriendelijke eekhoorn en een bereidwillig konijn lukte het hem om even na donker het kasteel te bereiken, dat makkelijk te vinden was door al het vrolijke licht. Op de binnenplaats brandde een kaars, en daar waren verschillende jonge elfjes omheen aan het dansen, zoals altijd magisch aangetrokken door het licht, maar toch ook weer zo verstandig om zich er niet te dicht bij in de buurt te wagen. Distelvlinder keek er weemoedig naar en vloog direct door naar de koning om verslag uit te brengen van zijn tocht.
"Sire, Kleine Vos en ik hebben lang gesproken. Kleine Vos is bereid om de training van prinses Dagpauwoog verzorgen, maar op een voorwaarde: hij komt niet hierheen maar zij komt naar hem in het bos." De koning keek bedenkelijk. Was dit wat hij wilde? Zijn dochter zou het niet leuk vinden. Maar aan de andere kant, als er iemand was die zijn dochter kon helpen, was het Kleine Vos. "Goed." zei hij.
Met veel bombarie vertrok de prinses. Het volkje had vrijgenomen om haar afscheid te zien. Bedremmeld keken de werksters elkaar aan: het was waar, hun prinses kon niet meer vliegen. Gezeten in een bessenkar werd ze het kasteel uit getrokken. Eerst nog door de koning en drie raadslieden, daarna namen sterke werkers het over. Haar ogen waren in tranen. Halverwege het weiland keerde de koning en zijn gevolg huiswaart, acht verse krachten gingen mee met de prinses om haar voort te trekken en elkaar af te kunnen lossen. En ook Distelvlinder vloog mee. Hij vertelde de prinses over het bos en over de dieren, over de vriendelijke maar ook over de gevaarlijke, over het andere eten dat er in het bos te vinden was en over enkele avonturen van Kleine Vos. Al was de prinses bedroefd, hierdoor leek de reis wel korter. En doordat ze met zovelen waren, lukte het hen om voor donker de hut van Kleine Vos te bereiken.
De raadsheer vroeg om onderdak bij de mieren en zij vonden het goed als de werkers in de hoop kwamen slapen, een voor een kropen ze naar binnen. De prinses echter bleef achter in de hut van Kleine Vos. Ook al was Kleine Vos er ook, ze voelde zich eenzamer en verlatener dan ooit. Kleine Vos nam haar van top tot teen op, vol afgrijzen leek het wel en wees haar naar een hoop naalden die als logeerbed diende. Als ze niet zo'n vermoeiende dag had gehad was ze daar nog lang blijven liggen huilen maar nu viel ze snel in slaap.
"Opstaan!" riep Kleine Vos. "Huh", dacht de prinses, en ze zei: "Hoe laat is het?" "De hoogste tijd om aan de slag te gaan!" riep Kleine Vos terug. "Je kunt je wassen bij het meer en daarna heb ik hier wat te eten voor je." Sloom stond de prinses op. Het was inderdaad al licht! De kar was vertrokken, dus ook de andere elven waren al naar huis. Ze liep naar de waterkant en keek in de spiegeling: wat zat haar haar slecht? En hadden de bedienden haar make-upkoffer wel gepakt? Ze spatte wat water in haar gezicht, brrr, wat koud was dat, en liep snel terug naar de woning.
"Mijnheer Kleine Vos, heeft u mijn make-upkoffer gezien?" vroeg ze Kleine Vos. "Doe niet zo onzinnig!" antwoordde hij vinnig. "In het bos moet er gewerkt worden voor de kost en voor fratsen hebben we geen tijd. Hier, neem een stuk bes en een beukenoot mee voor onderweg. Vanaf nu verzamel je zelf je eigen eten, begin maar met een bes." Dit deed de prinses schrikken: "Een bes, maar hoe...?" Kleine Vos, die besefte dat de prinses van niets wist, onderdrukte zijn irritatie en legde kort uit waar de prinses de dichtsbijzijnde bessenstruik kon vinden. "Ik ga dennennaalden verzamelen om een schuur te bouwen", zei Kleine Vos, en hij vertrok.
Oogje vertrok ook. Dankzij de goede aanwijzingen van Kleine Vos kon ze de bessenstruik snel vinden. Maar wat voor een gezond elfje een plezierig stukje fladderen was, was voor haar een vermoeiende en inspannende tocht. Hijgend en puffend zette ze zich neer tegen de bessenstruik. Mistroostig knabbelde ze wat op haar beukenoot. Wat hingen die bessen hoog! Moedeloos staarde ze naar de grond. Toen vatte ze moed en vloog omhoog. Ze zocht een mooie rode bes uit en ging op de tak zitten waar die aan hing. En nu? Ze duwde eens tegen de bes, maar die schommelde alleen maar opzij. Een flinke schop dan? Nu zwiepte de bes flink weg en de prinses verloor haar evenwicht en viel van de tak, wat voor elfjes gelukkig niet zo'n probleem is als voor mensen want mensen vallen naar de grond en elfjes kunnen vliegen. Alleen, de bes kwam terug als een boksbal, stootte flink opzij, zodat Oogje even niet meer doorhad wat nu boven en onder was. Snel vloog ze een stukje opzij, omhoog of omlaag, in ieder geval uit de richting van de bes. En toen ze eenmaal weer doorhad waar ze was en waar de tak, ging ze daarop zitten.
Een libelle streek neer op dezelfde tak. "Mag ik je een advies geven, elfje?" vroeg de libelle. "Nou mevrouw, dat zou ik erg waarderen." zei Oogje. "Als je er nu hard opaf vliegt en er dan op gaat zitten, dan schiet 'ie waarschijnlijk wel los." "Dankuwel voor de tip mevrouw, dat zal ik proberen!" Na nog even te zijn bijgekomen steeg Oogje blij op en deed wat de libelle gezegd had. De libelle week uit van de tak en Oogje knalde pardoes op de bes. Ploek, zei die en schoot los en viel naar de grond. Snel vloog Oogje erachteraan.
Eenmaal beneden bleek de bes gebarsten, maar nog goed genoeg om mee te nemen naar huis. "Hoe?" dacht Oogje, Tillen? Rollen, dacht Oogje, en duwde ertegenaan.Dat ging goed.
Veel later kwam Oogje bij de hut aan, met een vuile gebarsten bes en haar mooie kleren, handen en haar kleverig van het bessenvocht en aarde die eraan was blijven plakken. "Ben je daar eindelijk?" begroette Kleine Vos haar streng, maar toen hij goed keek en zag hoe ze eraan toe was, zei hij snel: "Ga maar op mijn bed zitten, ik pak een halmpje water voor je en maak water warm voor een bad." De prinses dronk het water in een guls leeg. Tegen de tijd dat Kleine Vos de teil met warm water had gevuld, sliep de prinses. "Wel," zei hij tegen zichzelf, pakte een glaasje bessensap voor zichzelf, keek naar de prinses en dacht een tijd na. Daarna ging hij aan de slag met de bosbes om er een lekkere compote van te maken. Die nacht sliep hij op de stapel dennennaalden.
In de volgende dagen kreeg de prinses steeds meer handigheid in de verschillende klusjes in het bos, en begon ze er zelfs schik in te krijgen. Zonder dat ze het zelf merkte veranderde ze in een vrolijke en lenige boself. Zingend en fluitend fladderde ze door het bos, onbewust glimlachen toverend bij de dieren die haar zagen passeren. Kleine Vos werd minder stug, en al met al waren beide dik tevreden.
Op een avond, nadat Oogje terug was van een lange tocht voor een kastanje, stond haar een verrassing te wachten. Aan de rand van het meer stond een tafel die Kleine Vos diezelfde dag had gemaakt van dennennaalden en bladeren. En op dit tafel stond een bosbessentaart en twee grashalmkokers, en een fles wijn. "Dag Kleine Vos!" riep de prinses uitgelaten, "Waar hebben we dit aan te danken?"
"Weet je het niet?" glimlachte Kleine Vos. "Het is je verjaardag!" En hij schonk haar een halmpje wijn in. "Omdat je volwassen bent, proost!" Oogje bloosde en zei "Dankjewel." Na de bosbessentaart volgden nog veel lekkere dingen, Kleine Vos had zich werkelijk uitgesloofd in de keuken. Het was een zwoele zomeravond en ze bleven dan ook lang zitten, genietend van de mooie avond en de bosgeluiden en van de nachtdieren boven het meertje.
Toen de ochtendschemering eenmaal inzette, was het volgens Kleine Vos de hoogste tijd om naar bed te gaan. De prinses stond op, wilde een stap zetten maar viel bijna om, en giechelde. "Ik geloof niet dat ik nog recht kan lopen." Kleine Vos, die de alcohol meer gewend was en er daardoor beter tegenkon, ondersteunde haar en zo liepen ze samen naar huis, zij leunend op hem. Kleine Vos liet haar zachtjes op haar naaldbed zakken, terwijl hij haar stevig vasthield, alleen de prinses liet niet meer los en eerlijkgezegd had hij ook geen zin meer om los te laten. Die nacht sliepen zij samen.
Voortaan zouden ze altijd met zijn tweeen slapen.
De koning, die inmiddels toch behoorlijk nieuwsgierig was naar hoe het met zijn dochter ging, werd door Distel zorgvuldig weggehouden. Het gaat goed, zei hij iedere keer. Kleine Vos laat weten dat ze er goed uitziet. Deze week hebben ze een schuur gebouwd voor naast de hut. Eerst was Distel bang dat de koning zijn dochter onmiddelijk terug zou halen, als hij zou horen hoe zwaar zijn dochter het had, En de koning, die zijn eigen zwaktes kende, liet zich snel geruststellen om dit te voorkomen.
Maar toen Oogje een dikke buik begon te krijgen van een hele andere aard, had Distelvlinder een hele andere goede reden om de koning van het bos weg te houden. Toch is het geduld niet eindeloos en op zekere dag, toen de koning na vier maanden nog steeds alleen maar hoorde dat alles goed ging en alle uitnodigingen om naar het kasteel te komen beleefd werden afgeslagen, begon hij zich zorgen te maken (zoals een goede vader betaamd) en wilde hij de prinses zelf zien. Met een gevolg van alle raadslieden die gemist konden worden en natuurlijk de zeer bezorgde Distel vloog hij uit op zoek naar de boshut.
Bij de bosrand ontmoetten ze een hert, die bij navraag inderdaad dezelfde bleek te zijn als die eerder in het verhaal. Zes elfjes meer of minder was geen probleem, en zo kregen ze allemaal een lift, netjes achterelkaar gezeten op de rug van het hert. Dat kwam goed uit, want inmiddels was het herfst en de nacht viel vroeg.
Zodra ze bij het meer waren zag de koning de hut, en daarbuiten de prinses zitten, uitkijkend over het meer. De koning voelde van alles tegelijkertijd. Hij was blij om te zien dat alles goed was, verbaasd en positief verrast over hoe gezond ze eruitzag. "Nu zou ze vast wel een leuke prins vinden," kon hij niet laten er direct achteraan te denken. Wie weet was bij zelfs een beetje jaloers op Kleine Vos, omdat die immers zijn mooie dochter vaker zag dan hijzelf. Wat de prinses echter bij hem zag, waren tranen, tranen van geluk en ontroering, terwijl ze elkaar omhelsden. Zelf was ze ook bijhoorlijk aangedaan. "Dochter," zei de koning, terwijl ze al enige tijd zo stonden. "wat zie je er goed uit... Kom met me mee naar het kasteel." "Nee pap," zei de prinses vastberaden, en week terug om hem in de ogen te kunnen kijken. "Nee, ik wil hier nooit meer weg." "Maar," zei de koning, die nu totaal overdonderd was, niet alleen omdat zijn dochter nee zei en hij daar niks van begreep, maar ook op de kordate manier waarop ze dat zei, een manier die hij nog niet van haar kende, "Maar, wil je dan niet terug naar het kasteel? Wie volgt er dan mijn troon op?" De prinses glimlachte. "Ik wil je heel graag iets laten zien pap en dat zal ook die vraag beantwoorden." En ze nam hem aan de hand mee naar binnen, om hem zijn kleinkind te laten zien.
Terroristen (comedy)
Ze vergat alleen de afwas en de rommel achteraf. Over afwassen ken ik trouwens nog een mooie uitspraak, en die is van de Dalai Lama. Die zegt namelijk zoiets dat geluk zit in alle kleine dingen in het leven, zoals bijv. afwassen, als je het maar met volledige aandacht doet. Ik probeer dat ook aan mijn vrouw uit te leggen maar de vuile vaat staat er nog steeds.
Gelukkig doet de wereldpolitiek er iets tegen. Amerika, onze grote vriend, valt een land binnen en zie wat er gebeurt! Wijzelf helpen mee met de opbouw in Afghanistan, al ... doden. Als ze op mij zouden schieten zou ik het geen opbouwmissie durven noemen! Ik vraag me af wat Nederland daar doet behalve als ik aan de opium denk. Dan kun je beter zoals Unilever eenportiezeepzakjes verkopen in ontwikkelingslanden. Dat is beter voor de ontwikkeling en stimuleert de economie. Onze economie.
Tja het is geen ideale maatchappij. De hemel is een ding waar ik vroeger in geloofde maar waar nu de regen uitvalt. Ik stel me voor dat als we met zijn allen ons best doen we er iets van kunnen maken maar iedereen leeft alleen maar voor zichzelf en niet voor mij. Mensen zoeken de zin van het leven maar vergeten het laatste. De zin van je leven moet je niet zoeken in verre landen maar vind je gewoon voor je neus. Je geluk bepaal je zelf en je kunt kiezen of je lacht. Je buurman woont naast je dus maak er wat van. Een goedenavond!